3
Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
4
Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.
5
Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.
6
Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.
7
Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.
8
Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken. [ (Psalms 3: 9) Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela. ]
Psalm 4
1
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2
Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.
3
Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
4
Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.
5
Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
6
Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
7
Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!
8
Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. [ (Psalms 4: 9) Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zekerwonen. ]
Psalm 5:1-7
1
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
2
O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
3
Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
4
Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
5
Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
6
De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
7
Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.