Swedenborg verbindt gewoonlijk rationaliteit en vrijheid met elkaar en bespreekt ze als een paar. Hij beschrijft ze als twee vermogens, of bekwaamheden, die mensen van dieren onderscheiden en verschillend zijn van wat dezelfde vermogens in dieren lijken te zijn. Deze vermogens zijn door de Heer aan de mensen gegeven en kostbaar voor Hem, omdat ze het middel zijn waarmee de mens een positieve relatie met Hem kan ontwikkelen.
Rationaliteit is het vermogen van het intellect om te begrijpen wat waar en goed is (en het tegenovergestelde, wat vals en kwaad is), en daarom de relatie te zien tussen wat geestelijk en eeuwig is en wat natuurlijk en tijdelijk is. Vrijheid is het vermogen van de wil om vrijelijk te denken, te willen en te doen wat waar en goed is (of het tegenovergestelde), en daarom te kiezen voor het eeuwige leven of een louter werelds leven - het leven van de hemel of het leven van de hel.
Rationaliteit is vooral belangrijk bij het ontwikkelen van ons begrip van de spirituele waarheid. Het vormt de brug tussen natuurlijke bezorgdheid en spiritueel begrip, en is belangrijk voor onze regeneratie. We moeten ons laten leiden door God om te zien wat echt waar is, en het in de praktijk brengen.
(Notae: Over de Goddelijke Liefde en over de Goddelijke Wijsheid 240, 264, 266, 425; Gods Voorzienigheid 73-76, 77, 276; Leer des Levens 15)


